Vavablog

Jouw Vavavoom…Dubbel !

Weet je wat het is? We leven teveel voor de buitenwereld. Vanmorgen hoorde ik het nog op een netwerkevent, iemand zei : “Zodra ik het woord moet nemen voor een publiek, kan ik mijn hoofd niet bij de boodschap houden omdat ik helemaal ingenomen word door wat de mensen wel niet van mij zouden kunnen denken”.

Natuurlijk is het belangrijk om een goeie indruk te maken. En natuurlijk willen wij als sociale wezens bij voorkeur de stempel “getest en goed bevonden”… daar schuilt zelfs een basis instinct achter. In ons oerverleden konden we het wel schudden als we uit de grot gebonjourd werden. De kans op alléén overleven was minimaal tot onbestaand. Het zit ons dus ingebakken, dat aanpassingsgedrag om er bij te horen en de angst om afgekeurd te worden.

Menselijk … alleen wordt het beperkend als je er geen erg in hebt of als het je vrolijke vrijheid indijkt. Je keuzes laten afhangen van wat de ander wil of – erger nog – van wat je dénkt dat de ander wil, dat is je reinste slavernij. Jezelf niet toelaten om je eigen – ja, zelfs je eigenzinnig – ding te doen, en jezelf te zijn … Waarom dan?

Kleine kanttekening : We gaan er even van uit dat je ecologische verantwoord leeft, en dus beslissingen neemt die anderen geen schade berokkenen.

Even een aantal argumenten op een rijtje :

  • Mensen hebben een terecht of onterecht oordeel over je. Hoe goed je je ook in bochten wringt, er zal altijd wel iemand zijn die commentaar of kritiek heeft. Kan je dan niet beter gewoon voor je eigen authentieke versie gaan, als het resultaat tóch hetzelfde blijft?
  • Ik vind de Engelstalige uitdrukking “They’re judging you by their own standards” een hele mooie om hier mijn punt te maken : Mensen met een lage bewustzijnsgraad beoordelen je vanuit wie ze zelf zijn. Niet iedereen heeft een doorgedreven traject van persoonlijke groei afgelegd en bijgevolg zijn veel mensen niet in staat de eigen kleuring te onderscheiden van een heldere waarneming. M.a.w. De perceptie die iemand van jou heeft, is vaak gewoon een afspiegeling van zijn eigen innerlijke wereld.
  • Niet meer kunnen genieten van wat je doet of niet doet, omdat je schrik hebt voor het oordeel van de boze buitenstaander? Dat is een grotendeels zelf gebouwde gevangenis.
  • Je zult er versteld van staan hoeveel mensen er spontaan en geïnteresseerd op je af komen als je écht de meest pure versie van jezelf neerzet. Ga dus niet langer voor de “likes” maar vertrek vanuit het moois dat je te bieden hebt.

De enige relevante vraag bij alles wat je doet, is “word ik hier blijer van”. Als blije mens heb je namelijk zoveel meer te bieden.

En nu wordt het even ingewikkeld : Gek genoeg zijn we tegelijk ook te wéinig met de buitenwereld bezig. Ingewikkeld en een beetje dubbel, althans op het eerste zicht, want eigenlijk is het gewoon de logica zelve. We lopen de rat race, we willen de eerste zijn, de beste. We lopen om indruk te maken. We doen nauwelijks nog es iets op stille en ongedwongen wijze voor een ander, daar hebben we toch gewoon ook geen tijd voor? We hebben het te druk met “human doing” te zijn, zodat de “human being” er niet aan te pas komt. En dat allemaal terwijl we onze eigen identiteit eigenlijk alleen maar vinden in de uitwisseling met de ander.

En wat blijkt, gek genoeg? Het zijn net de mensen die niét meedoen aan het grote “hoe-kan-ik-u-imponeren”- spel, die het meest indrukwekkend zijn. Ze focussen op hun eigen bijzonderheden, en inspireren anderen door wie ze zijn eerder dan door wat ze doen. Grote voorbeelden uit onze dichtste – culturele – omgeving : Arno Hintjens en Wim Willaert… die hun West-Vlaamse roots trouw bleven en zelfs als springplank gebruikten ipv er een beperking van te maken.

Geef jij je Vavavoom , je eigenheden en talenten al in volle glorie aan deze wereld? Jij hebt iets wat niemand anders heeft. Met jouw specifieke rugzak kan je het verschil maken, waar wacht je op?

En dan nog een extra vava-vragenvuur : Doe je wat je doet in een sfeer van samenwerking of van concurrentie? Leef je in de overtuiging dat er genoeg is voor iedereen en dat je vermenigvuldigt door te delen? Nog niet? Helemaal niet erg. Het is nooit te laat om ermee te beginnen : Leven mét en vóór ipv tégen de ander. Ik nodig je uit. En ik beloof je, het loont. Dubbel.

ECHT…

Gisteren (omdat er geen betere dag kan zijn) keken we naar “Yesterday”, een – wat mij betreft – heerlijke Britse fantastische film, een modern sprookje en bovenal een leuk niemendalletje waar je gewoon vrolijk van wordt.

Het verhaal begint met een planetaire energiestoring, een collectieve stroompanne met een grappig neveneffect : Iedereen – behalve het hoofdpersonage, muzikant Jack Malik – blijkt het bestaan en dus ook de muziek van de Beatles vergeten te zijn.

Je raadt het al : De immer klooiende Jack komt op het idee om alle songs vanuit zijn geheugen te reproduceren. Daar slaagt hij wonderwel in en zodoende worden de heerlijke deuntjes en de bijhorende lyrische teksten aan hém toegeschreven. In geen tijd is hij de groter dan Ed Sheeran. Deze laatste, die in de film niemand minder speelt dan zichzelf, buigt nederig voor zoveel grootsheid. De vanzelfsprekendheid waarmee Malik vlotjes de ene na de andere hit uit zijn mouw schudt, is vanuit zijn hoek bekeken uiteraard legendarisch.

De film zit vol grappige vondsten, sommige nogal voor de hand liggend (zoals de hint van Sheeran om van “Hey Jude” toch maar “Hey Dude” te maken), maar wie maalt er om? Want wat je gaandeweg en bij de introductie van elke “nieuwe” Beatle song beseft, is dat we werkelijk in een totààl andere wereld zouden geleefd hebben, mochten we geen Beatles hebben gehad ! Kleur en variatie, psychedelische zottigheden, romantiek, ritme , schwung, originaliteit, noem het op… de Beatles goochelden ermee.

Voor één keer ben ik er absoluut niet rouwig om dat ik een film niet in de cinema zag : Het was heerlijk om ongegeneerd mee te brullen met de liedjes, telkens weer met dat enthousiast kwispelende gevoel : “oooh jaaaa, die ook nog !!!” Himesh Patel, de acteur die Malik brengt, heeft trouwens een frisse stem die best wel bij het Beatles repertorium past.

Wat mij vooral bij blijft is de metafoor waar de hele film voor staat, dat is nu eenmaal ook de opvoedkundige taak van elke sprook die naam waardig : Hoe wij najagen wat echt niet belangrijk is, en daarbij aan de essentie voorbij lopen. Het is een bijna clichématige verhaal van een eenvoudige jongen, die constant op zoek is naar groter succes en die daarbij over de prachtige liefde, die voor zijn voeten ligt, heen stapt.

Zijn karikaturale Amerikaanse manager (heerlijke vertolking van Kate Mc Kinnon) lokt hem als een boze stiefmoeder alsmaar verder in een gapende leegte, ingenieus verpakt als “glitter en glamour”. Dat ze alles fantastisch vindt zolang het in haar portefeuille past, steekt ze niet onder stoelen of banken. Het wordt een leven van “show, show, show & go, go, go”, van volle stadia met gillende tienermeisjes en achtervolgingen door hordes fans (alweer leuke verwijzingen naar de Beatle Mania van weleer).

En toch haalt het hem in. Leven voor de verwachtingen en onder de impulsen van de buitenwereld, dat houdt niemand vol. Constant je “kijk mij” – gehalte moeten opkrikken, jezelf opblazen, je voordoen als iets wat je niet bent, stiekem stelen van een ander en er de eer van het succes mee opstrijken… Jack Malik is au fond een lieve jongen, maar de alerte kijker voelt dat het wringt. Dik doen met het geld van een ander, pretenderen één van de groten der aarde te zijn terwijl je wéét dat het één grote leugen is, dat eist vroeg of laat zijn tol.

Het is uiteindelijk één van de Beatles (mocht je de film nog niet gezien hebben, ik wil even niet “spoilen” door weg te geven welke van de vier) die hem tot het inzicht brengt : “No no! I said really happy, that IS success…” En hij kon het weten, want hij heeft zijn zieltje laten zingen. Dat hebben ze alle vier trouwens…

Naast de muzikale geschenken die we van de FAB FOUR kregen, gaven ze ons namelijk ook een stichtend voorbeeld in het voluit en enthousiast leven van je kerntalent. Ze waren fervente mediteerders, en dus heel erg met hun innerlijke kracht verbonden. Meditatie leert je het gekwetter van het ego te onderscheiden van wat er aan je ziel ontspruit. Hun bruisende breinen brachten alleen voort wat er in hun harten klopte, en omgekeerd… Tegenwoordig noemen we dat “hart-brein coherentie”, één van mijn stokpaardjes.

Terug naar de film : Jack Malik ziet dààr en dàn in dat het geen zin heeft om te liegen over zijn leven, over zijn liefde. Hij beseft dat het doodzonde is om niet te vechten voor de vrouw die hem door dik en dun steunt en intens van hem houdt… En zo eindigt het sprookje dan toch weer zoals het sprookjes betaamt : Eind goed, al goed. Hij biecht zijn sympathieke misdaad op, en leeft nog lang en gelukkig, met haar.

Moraal van het verhaal : Het zit ‘m niet in wat een ander van je denkt of hoe je je denkt te moeten profileren. Als het allemaal niet vanuit de diepste krochten van je eigen “zijn” opborrelt, dan is het niet echt. Je leeft het leven van een ander, of zelfs helemaal geen leven maar een leugen.

En nu mijn specifieke boodschap : Ik wens jou hier en nu de goesting en de kracht om je eigen integere en ongetwijfeld prachtige versie van jezelf neer te zetten. Want waarin je talent ook ligt, je hebt het gekregen om het te delen. Alles wat je deelt, vermenigvuldigt zich. Je geluksfactor zal recht evenredig verhogen met de mate waarin je het beste van jezelf geeft. Het kan alleen maar zijn wat het is. Niet nodig om te “faken”. Echt.

Tranen toegelaten…

Ergens halverwege de achttiende eeuw, ten tijde van Napoleon, waren tranen nog “haut de gamme”. Of het nu ging om een traan plengen, tranen met tuiten wenen, krokodillentranen, er één over de wang laten biggelen of er één wegpinken, de hele reutemeteut was welkom. Welkom én algemeen aanvaard : Het stond sjiek, het had iets sensueels en het werd als cultureel hoogstaand en fijngevoelig beschouwd.

In de Franse salons werd er niet alleen over literatuur en politiek gediscussieerd, de Verlichting werd er ook daadwerkelijk en van alle kanten tegen het licht gehouden. Wààr het ook over ging : Als iets je sterk beroerde dan kon je dat zonder schroom onderstrepen door er het tranenvocht bij te laten stromen.

“Tiens”… dit la petite penseuse en moi : De Verlichting predikte de rede en het autonoom gebruikte verstand (het rationalisme) in combinatie met het leren door ervaring (empirisme ), en tóch bleef het uiten van emotie een welkome aanvulling op het assortiment?!

Denk even met mij mee, want misschien heb ik het mis : Ratio, rationeel zijn, wordt door de cynische 21ste eeuwse mens toch lijnrecht tegenover emo gesteld? Het hoofd tegenover het hart? Het één óf het ander? Het uiten van emotie (bij wijze van het huilen van één of – dieu pardonne – meerdere tranen) wordt gezien als een zwakte. Al zeker in “hogere”, laat staan professionele middens, stuift iedereen van ongemak en walging uiteen bij de geringste zweem vàn.

Inherent aan dat ongemak en die walging zijn zowel tragische als hilarische reacties. Als daar zijn : de één duikt onder zijn bureau, de ander moet ineens dringend een telefoontje plegen, nog een ander draait van ergernis zijn ogen naar waar zich normaal een gezond stel hersenen bevindt, maar helaas… En als kers op de taart heb je dan ook nog het soort dat vindt dat je het wel eens mag uitleggen : Hoe dúrf je ook maar enige vorm van menselijkheid en (“ieuw-ieuw-jakkes-jakkes” dat andere vieze woord) “gevoél” te laten zien???

Mijn brein maakt even een sprong naar een figuur waar ik al lang niet meer had aan gedacht : Pierrot, de tragische clown waar ook Bowie duidelijk iets mee had. De zwarte traan in zijn ooghoek staat symbool voor een verloren liefde. Voor zijn gevoeligheid en zachtaardigheid kreeg Pierrot verder ook alleen maar onder zijn viool, tot daar de romantiek… de gelijkenis met de hedendaagse mens is niet ver weg.

Ik heb de stellingname van de anti-tranen-brigade nooit begrepen. Alsof je tranen de vrije loop laten – wat eigenlijk een zeer gezonde (detox!) reflex is – een onweerlegbaar bewijs is van het feit dat je jezelf niet in de hand zou hebben. Toegegeven, voor uitvergrootte drama’s heb ik het ook niet, maar daar gaat het hier echt niet om. Waarom toch wordt er zoveel aanstoot genomen aan onze oprechte “zoute waterlanders” ?

Het antwoord ligt ‘m, mijns inziens, deels in een stel geërfde overtuigingen die kant noch wal raken en deels in het feit dat we nog altijd niet goed met de minder vrolijke aspecten van het leven om kunnen. Misschien maakte je het al mee : Mensen die niet thuis geven terwijl jij net alle mogelijke steun kunt gebruiken. Ze weten niet hoe ze zich moeten gedragen of wat ze moeten zeggen … Zucht. Je wordt het zoveelste spook van de opera, dat zich moet verschuilen wegens letsels die het daglicht niet mogen zien.

De vreugdetraan heeft de tand des tijds dan wél weer doorstaan. Die hoef je niet in alle krampachtigheid te onderdrukken. Het ergste wat je kan over komen als je die laat, is dat je als watje wordt bestempeld. Deze traan is populair bij menig drama queen en wordt bij voorkeur “en publique” gebezigd, helemaal “bon ton” en passend in de heersende maar compleet gefakete succescultuur.

Er is maar één conclusie mogelijk : We zitten met een onevenwicht. De twee theatermaskers “een lach en een traan” lijken me eigenlijk een mooi symbool van herstel. Geen dag zonder nacht, geen zwart zonder wit, geen vreugde zonder verdriet. We leven in een wereld van contrasten. Je kunt niet weten hoe gelukkig je bent als nooit verdriet hebt gevoeld. Het één kan niet zonder het ander bestaan, dus doe net zoals onze vrienden uit de achtiende eeuw maar es heel sjiek : Laat bestaan en gaan, die traan…

Ongebreideld…

In 1887 vatten ze voor het eerst post op de Grote Markt van Brugge en sinds die tijd overschouwen ze met stoere blik de omgeving. Alles in hun houding verraadt hun trots : “Dat klusje hebben we toch maar es mooi geklaard, het gepeupel mag ons dankbaar zijn”. De dagelijkse bombardementen van overvliegend en landend duivengeweld zijn klein bier bij wat deze onverschrokken strijders destijds bij de Brugse Metten en de Guldensporenslag trotseerden : Jan Breydel en Pieter de Coninck, de helden die ons bevrijdden van de Franse bezetting anno 1302.

Zo werd en wordt de geschiedenis tot op de dag van vandaag nog vaak overgeleverd. En toch blijkt zeker de helft van het standbeeld gebaseerd op een leugen, over de andere helft heerst twijfel. Jan Breydel was namelijk een onverlaat, die berucht was voor zijn bandeloos buitensporig gedrag en hij had zelfs moord op zijn kerfstok. Hij liet zich geregeld vol lopen aan de toog van de café’s in de Garre, en maakte het zó bont dat de familie Breydel een eeuw later nog altijd het schaamrood op de wangen kreeg bij het horen van de net iets te sappige verhalen.

Dus besloten de invloedrijke Breydels zijn belabberd blazoen op te poetsen, beter laat dan nooit. Bij wijze van een marketingcampagne avant là lettre werd hij tot volksheld, grote bezieler en aanvoerder van de opstand tegen de Franse onderdrukking verheven. Zo transformeerden ze hem in een heldhaftige Vlaamse leeuw. In werkelijkheid stelde hij niks meer voor dan zijn Hollandse evenknie, Loekie van de Ster reclame, een zestal eeuwen later. Toch legde het hele verhaal de familie geen windeieren. Ze bleven jaren het politieke spel beheersen en leverden verschillende burgervaders aan.

Daarmee is het nog maar eens duidelijk. Het is van alle tijden : Dikdoenerij, het verdoezelen van viezigheden onder een laklaagje, het vuil dat onder een duur tapijt wordt geveegd. Leugenaars en manipulators die daar wel bij varen en beter van worden. De dwang van de macht die het einde inluidt van integriteit en authenticiteit.

Hierbij moeten we volgens mij vooral in éigen boezem kijken. Want : Wat hebben wij toch met die schone schijn? Waarom laten wij ons zo graag verblinden door wat iemand hééft of presteert, eerder dan belangrijk te vinden hoe hij is, voor welke waarden hij staat?

We hebben bewondering voor de mooie auto van de man die zijn vrouw slaat, we stellen ons geen vragen bij de manier waarop de succesvolle business man zijn werknemers behandelt. De Farmaman stapt probleemloos over de stervende heen om een aantal gulzige portefeuilles te voeden, en ook dat gaat aan ons voorbij.

Dààr wringt het schoentje, uiteraard. Als wij er niet naar opkeken, als we aan de show en de snoeverij van het succes zouden voorbij lopen, dan kregen dit soort scenario’s niet eens een podium.

We ergeren ons gelukkig wél aan de extreem uitvergrote versie, de pantomime van Trump. Zou dit soort waanzin een kans krijgen als wij onze neus ophaalden voor uiterlijk vertoon en het grote geld de rug toe keerden?

Wat als we ons zouden focussen op samen groeien, elkaar helpen, “iedereen rijk” of toch minstens “niemand arm”? Als we de “ikkigheid” (term Dirk De Wachter) nu es wat achterwege lieten? Kregen de Trumps van deze wereld dan nóg zoveel kans?

Helaas, er is altijd wel iemand die belang denkt te hebben bij het meeheulen met de zot die aan de macht is. Een ander denkt dan weer dat de schijnwerpers ook op hem afstralen… die besmet op zijn beurt zijn vriendenkring, die dan weer de ogen uitsteekt van de familie van … en zo voort, en zo verder… het verspreidt zich als sluipend gif. Een hele maatschappij – op een uitzondering na – in hetzelfde bedje ziek.

Onze gedachten, ideeën en plannen passeren niet meer aan ons hart. Het is via het hoofd recht naar de kassa, en wie niet oplet wordt voorbij gestoken. Wie niet kan betalen heeft pech en mag meewarig toekijken hoe degene die het unfair speelt, zijn kar vol laadt.

We zijn nog lang niet aan de “nief patatjes”, zoveel is duidelijk. Al is de ostentatieve Trump gekte nog niet eens zo slecht : Door de overdrijving gaan misschien meer en meer onze ogen open. Hij is even weinig subtiel als zijn vroege voorganger, alleen is zijn zichtbaarheid veel groter en dat maakt het nét iets moeilijker om zijn gedrag met een verhaaltje te verdoezelen. We kunnen er ons collectief in verontwaardigen.

En misschien speelt zijne potsierlijkheid op die manier alsnog een glansrol straks, in de positieve ontknoping van dit spannende vervolgverhaal. Dan zorgt de meest beschimpte Amerikaanse president ooit er onverwacht toch in om de geschiedenis in te gaan als degene die de wereld wakker schudde.

Of het Brugse voetbalstadium de naam van “Jan Breydel” moet blijven dragen, laat ik in het midden. Er zijn, me dunkt, ernstiger kwesties die meer prioriteit verdienen. Zoals wat jij en ik met ons eigen leven gaan doen. Op grote schaal het verschil maken, zit er niet direct in.

Wat we wél kunnen doen, is de verbinding tussen ons hoofd en ons hart herstellen. ’t Werd hoog tijd dat we weer eens beseffen wat ons hier te doen staat : Groeien als mensheid, eindelijk eens bewijzen dat we niet de verachtelijke soort zijn die zich alleen kan gedragen omdat anders God onmiddellijk straft.

We moeten niet op straat komen. Als elk zijn eigen biotoopje schoon maakt, iets minder roddelt, iets vaker ongedwongen en belangeloos deelt, dan komen we al op een andere planeet terecht.

Ik ben alvast vóór. Kleine moeite , groot geluk.

Mijn pleidooi : Terug naar de macht van het hart… van de graai- naar de geefcultuur, helemaal los gaan, de andere kant op en minstens even ongebreideld !

Van vliegende varkentjes…

Laat ons wel wezen : De kans dat een varken ooit kan vliegen, mogen we zonder veel twijfel onbestaand achten. De hyperbolische Britse uitdrukking “When Pigs Fly”, betekent dan ook zoveel als “Alleen in je dromen!” of “Nooit!”

Op het woord “onmogelijk” reageer ík doorgaans met een gigantische weerstand , één van het explosieve soort – met een kracht van acht op de schaal van Richter. Het woord triggert een reflex. Er wordt een Sherlock Holmes in mij wakker, een snuffelende speurhond met een loep en een hoog Jeanne d’Arc gehalte : “Ah nee? Dat zullen we nog wel es zien! ”

Met de krantenkop “We kunnen voorlopig niets meer doen voor baby Pia”, een uitspraak van Maggie De Block, mocht ik dit deze week nog es helemaal en in zijn volle intensiteit ervaren. Hoezo dan, “niets meer doen”???? Dat bestààt toch gewoon niet?!?!

Ik stel me soms voor dat er in de voornaam van onze minister van Volksgezondheid een “g” minder stond, waardoor ze met meer lef, pit en een snufje gezond heksenverstand in haar atelier met toverdrankjes en poedertjes stond. Ze had dan krachtige spreuken die farma reuzen in padden veranderden. Haar mysterieuze brouwsels maakten zieke kindjes sprankelend gezond.

Ik heb het niet voor de scheldpartijen en verwensingen die op onze minder magische minister worden afgevuurd. Echt niet. Meer nog, ik vind de manier waarop het “minister mens” beschimpt wordt eerder van een laag allooi. De uitspraak die ze deed, is volgens mij eerder een signaal van de tijd waarin we leven, dan een verwijt dat alléén aan de minister moet gemaakt worden : Er is te veel hoofd en te weinig hart, te veel ego en te weinig liefde.

Niettemin moet het gezegd : De minister en haar troepen hebben een mal figuur geslagen, alleen al door de lamentabele communicatie. Ik hoop écht en oprécht dat zij en haar kabinetsmedewerkers ooit beseffen dat “neen verkopen” in een scenario met een dergelijke factor van hoogdringendheid geen optie is. Als je als ouder je kind dreigt te verliezen, is de zin “we kunnen voorlopig niets doen” simpelweg verpletterend.

En toch was er in dit verhaal ook heel heuglijk nieuws. Ze liéten zich namelijk niet verpletteren, die ouders.

Ze stonden deze week als twee nieuwe, geheel onbekende, maar zeer krachtige magiërs op : De mama en papa van kleine Pia. Ze lieten het ministerie-van-non-magie een serieus poepje ruiken, door zomaar even zélf een dik konijn uit hun hoed te toveren. Met een sms actie en wat sociaal – en ander mediakabaal hebben ze het fijn geregeld.

De onmetelijke kracht waarmee zij weigerden zich neer te leggen bij de “neen” die ze van boze stiefmoeder Farma en Machteloze Maggie kregen, heet liefde. Liefde in combinatie met dat andere ingrediënt dat bergen verzet : Geloof, en dan heb ik het niet over de religieuze versie. Geloof in eigen kracht, vertrouwen in combinatie met een toegewijde inzet en een bijzonder scherpe focus.

Mama en papa Pia staan in mijn geheugen gegrift als hét bewijs van mijn stevige stelling : “Onmogelijk” is het land van de spijtoptant. Daar wil je niet naartoe, geloof me. Je trekt liever alle, maar dan ook àlle registers open, je verkent en test elke (tot de meest gékke) optie, je zoekt hulp en wel zoveel mogelijk.

Misschien kom je ondanks dat toch op een punt waar ogenschijnlijk niks nog mag baten. Als je alert blijft, is dàt zelfs vaak het moment waarop er zich alsnóg een àndere weg manifesteert, een scenario dat je eerder niet zag of kende. Alles wat je vóór dat moment opgeeft, is dikkevet zonde.

In het slechtste geval is “Méér kon ik niet doen” een eiland van rust waarop je je met je hand op je hart mag terug trekken, ook al heb je wonden te likken en verdriet te verwerken. Het zal bijlange niet zo erg zijn als een schuldgevoel, het “had-ik-maar” dat sowieso te laat komt en aan je vreet als een rat.

Al bij al gaat dus het over de kracht die je jezelf toe kent, over vertrouwen én over zoeken tot je vindt. Het gaat over het besef dat je niet weet wat je (nog) niet weet. Net zoals je nu nog niet weet dat varkentjes eigenlijk kunnen vliegen. Zo werkt dat. Heel simpel, maar niet gemakkelijk. In mijn wereld heet dat : “Pigs dó fly”. Varkentjes kúnnen vliegen. Vavavoom !

Graag traag…

Wie kent nog het verhaal van de schildpad en de haas die een wedstrijdje deden?

De haas had in de oorspronkelijke vertelling niet echt een naam, dus geef ik er ‘m één voor de gelegenheid : “Haas Hubris”. Hubris was zo’n geweldige snoever dat de andere dieren hem écht vervelend vonden. “Niemand sneller dan hij, wat een atleet!”

De schildpad dopen we hier even “Slome”, omdat hij alles – maar dan ook àlles – op zijn eigenste trage tem—poo—tje deed.

Slome de schildpad had het helemaal gehad met Hubris, de praatjesmaker. Hij wilde de haas een lesje leren dat hij niet snel zou vergeten, en daagde hem uit : “Wedden dat ik als eerste bij de oude holle eik bij de vijver raak?” De haas kwam haast niet bij van het lachen : “Weet jij wel met wie je te maken hebt? Maar bon, snoof hij hooghartig, als je dan toch zo nodig ingemaakt wil worden… ”

Bij het startsignaal stoof Hubris niet, zoals je zou verwachten, op de eindstreep af… neehee, daar was hij nét iets te zelfzeker voor. Hij keek spottend toe hoe Slome moeizaam peddelend vooruit kwam , grijnsde even in de richting van het dierenpubliek, en zette op zijn sloffen de achtervolging in. Ergens halverwege, werd hij wat moe van de brandende zon en dacht: “Eigenlijk is die Slome zó traag, ik heb nog úren de tijd. Ik doe nog even een dutje, hier in de schaduw van de vlierstruik.” Je raadt het al, zijn overmoed werd hem fataal. Hij oversliep zich en werd net op tijd wakker om de schildpad over de eindstreep te zien schuifelen. Zijn paniekerige eindsprint mocht niet meer baten.

Hubris en Slome … ze brengen een wijze fabel, die verzonnen werd door de Griekse slaaf Aesopos.

Wie wil jij liever zijn? Hubris of Slome? De haas die veel blabla verkoopt, maar het niet waar maakt, of de schildpad die rustig en toegewijd op zijn doel af gaat? Beweeg je snel, ondoordacht, en om indruk te maken? Of heb je een leuk traject voor ogen, waar je onverstoord en met visie aan bouwt?

Wat wil jij winnen? Welke wedstrijd? Van wie? Wat moet dat “winnen” jou brengen? Wat ook jouw antwoorden zijn, geef mij maar de win/win : Beetje geven/beetje nemen. Winnen ten koste van een ander, laat krassen na op je ziel.

Bovendien vraag ik me in deze “samenleving op speed” ook wel es af : Waar gaat iedereen zo HAAStig naar toe? Gaat het eigenlijk alleen over je raketgewijs richting die eindbestemming projecteren, of kan je ook genieten van de weg? Snelheid betekent trouwens stress : Al je zintuigen op scherp, uitkijken voor wat je uit je baan kan slingeren. Stress maakt ziek. Een fenomeen als Burn Out, bijvoorbeeld, is geen modeverschijnsel. Het is een gevaarlijk gevolg van langdurige, onafgebroken stress.

Vanwaar die behoefte om uit te pakken met hoe succesvol we zijn? Heel contradictorisch, vind ik dat. “Iedereen” (veralgemening is een stijlvorm) is met zichzelf bezig en tegelijk willen we indruk maken op elkaar. Hou maar al op, denk ik dan, niemand kijkt. En toch… als het er op aan komt, worden beslissingen net op basis vàn die oppervlakkige indrukken genomen. Of het nu in bedrijfscontext is of onder vrienden, we oordelen snel en alwetend, zonder te peilen naar diepere bodems. Ook alweer een formule voor pijnlijke misverstanden.

“Graag traag” is dus mijn pleidooi. Met aandacht en liefde leven, en kijken naar elkaar. Hartsvolle verbindingen maken met mensen in je omgeving. “Traag” zorgt ervoor dat je het onderscheid kunt maken tussen wat er wél of niet toe doet. Al te veel mensen komen er pas op hun sterfbed achter dat ze hun leven besteed hebben aan alles wat niét belangrijk is, dat wens ik jou alvast niet toe. Alles is keuze. Kies dus voor traag… graag…

Liefde voor een liedje…

Eén van de uitbundigste nummers op het legendarische album “Rumours” van Fleetwood Mac is “Go your own way”. Ik was acht toen het een hit werd en ik was er meteen hélemaal weg van.

Over de inventieve klankensequenties waarmee ik de tekst invulde die ik niet begreep, zullen we het hier even niet hebben. Het waren gewoon drie minuten en veertig seconden muzikale vertaling van mijn diepgewortelde vrijheidsdrang : “Go my own way”, dat was toen echt wel al mijn ideaal en mijn ouders, ocharme… die hebben het geweten.

Ik had wél begrepen dat het over het einde van een relatie ging, en ook dàt vond ik zo mooi, dat mensen elkaar in alle vrolijkheid konden uitzwaaien : “Daaaag, ook al had ik liever dat je bleef, ik begrijp het, ga nu maar je eigen weg” … en zo is de betekenis die ik er toén aan gaf àltijd voor mij gebleven…

Tot het ware verhaal me, vorige week pas, met verbijstering sloeg. Het was allemaal helemaal niet zo lieflijk, vrolijk en groothartig als ik dacht! Wel integendeel, Lindsey Buckingham (hij!) schreef het nummer naar aanleiding van de echtscheiding met Stevie Nicks (zij!), een breuk die ook het voortbestaan van de band onder druk zette. Zij wilde er namelijk van onder en hij vond dat maar niks “packing up, shacking up is all you want to do!” Na al die tijd blijkt het dus eerder een schreeuw van boosheid en frustratie geweest te zijn en erger nog : Stevie Nicks mocht het bij wijze van ultieme wraak ook nog es lekker mee zingen. Haar verzet tegen bepaalde giftige passages in de tekst mocht niet baten.

De, overigens nog altijd prachtige, platenhoes bekijk ik op slag ook met andere ogen. Zo wrang, hoe hij haar pols omklemt en minachtend op haar neerkijkt: “Uhu, bitch, wat dacht je wel?”

Verbazingwekkend, vind ik dat : “Als jij niet langer bij mij wil zijn, dan zie ik jou ook niet meer graag en wat meer is: Dan moet je lijden… zo làng en zo hàrd mogelijk”. Hoezo dan? Alsof liefde een gunst is, die alleen maar kan toegekend worden als je de juiste dingen doet en in de opgelegde pas loopt.

Geef mij dan maar de ondertoon van dat andere heerlijke muziekje dat zonder nijd noch verwijt vertelt over de stad die er net iets grijzer uit ziet “Porque te vas”… omdat je gaat. Jeanette, heet ze, de vrouw die dit een paar jaar vóór “You can go…” inzong.

Haar breekbare stem heeft iets van kracht in zachtheid. Hij zal haar liefdesbeloftes met zich meenemen en haar vergeten. Dat vindt ze zwaar, haar nachten vullen zich met gedachten aan hem. En toch kan hij gaan, geen haat of wrok, alleen verdriet. De lichtvoetige melodielijn verraadt dat ze er op vertrouwt ondanks het verdriet haar weg wel weer te vinden. Ze kijkt nog even liefdevol achterom, vooraleer ze verder gaat.

Als de liefde stopt zodra de relatie stopt, dan klopt er iets niet. Dan is het niet en was het nooit echt. Liefde is een liedje, dat – eens gecomponeerd – altijd blijft bestaan. Of het nu nog wordt beluisterd of niet, het is onuitwisbaar.

Aan zijn zoete wraak heeft Lindsey Buckingham volgens mij niet veel gehad. En Stevie, ik kan haar alleen maar gelijk geven, hij heeft haar bevestigd dat ze beter af was zonder hem. Wat mij betreft : Ik heb ondanks mijn naïeve inschattingsfout toch jarénlang van mijn ultieme vrijheidslied genoten. Zelfs nu de achtergrond verandert, blijf ik er van houden. Ah, ja, want dat is nu éénmaal ook liefde. Liefde voor een liedje…